In een week waarin iedereen de blik naar het (zuid-)oosten richt en er zich een drama voltrekt in het land waar de oude Grieken enorme bewondering voor hadden gaat bij ons de temperatuur richting gezellige voorjaars waarden. De eerste ijsjes zijn al weer gezien, terrassen worden buiten gezet en voor ons begint het tuinseizoen weer. Soms is dat lekker op de knietjes krabben maar geregeld is het met een glas in de hand tevreden uitkijkend over alles wat groeit, bloeit en ons altijd weer boeit.
Het was de week van de eerste tjiftjaf en dan is het echt waar. De lente is begonnen en de trekvogels komen terug. Sommigen zijn nauwelijks weg geweest maar de tjiftjaf is nog steeds de eerste zanger die vanuit zijn overwinteringsoord in Noord-Afrika ons land weer opzoekt. Gemiddeld twee weken later volgt de fitis en dan komt de rest ook binnen. Veel thuisblijvers zitten dan allang op het nest. Deze week werd er ook serieus gebakkeleid over bezit van nestkasten. Een koolmees die een pimpelmees er uit mept, een kauwtje dat probeert een steenuiltje weg te jagen of een nijlgans die bovenop een kraaiennest landt.
Het was ook de week van de eerste andere insecten dan de echte vroegelingen. Aardhommel, honingbij, citroenvlinder en zevenstippelig lieveheersbeestje waren er al wat eerder. Soms wat versuft rondkijkend na een lange winterrust, soms wat verstijfd en als onhandige kluns midden in de krokus vallen. Verrassend was een fraaie wesp die even duf als het kevertje uit een ventilatie gaatje bij het raam naar buiten kwam. Een vroege muurwesp! Niet eerder gezien op Landgoed de Stille Wille hoewel het toch een algemene verschijning in Nederland is. Geen enge prikker, bijenvreter of limonade zuiper maar een solitaire wesp die levensgevaarlijk is voor kleine rupsjes. Plotseling landt ze boven op de rug en dan gebeurt het. Voor de goede lezer, het is altijd een zij die de aanslag pleegt. Even lijkt het of ze het arme dier streelt met haar antennes maar dat is alleen om zeker te weten dat ze goed zit. Dan schiet haar angel uit, recht in de rups en het is gebeurd. Verlammend gif mengt zich met de lichaamssappen van het arme beest, elke beweging verstijft en nooit zal het rupsje vlinder worden. Maar het verhaal is nog niet ten einde. Mevrouw wesp vliegt met haar rups naar een gaatje in de muur of boomstam, propt de rups er in, ei er op en nog even afsluiten met zand of klei tegen inbrekers. Na een paar dagen komt het ei uit en het wespenlarfje kan meteen aan de maaltijd. Verse en nog levende rups, daar moet ze het mee doen.
Het was de week van de eerste paardenbloemen, speenkruid en vele andere voorjaarsbloeiers. Sommigen kwamen vorige week al even voorzichtig om de hoek kijken maar nu is het echt warm genoeg om open te gaan. Met deze temperatuur moeten er ook bestuivers zijn om te zorgen voor het hoognodige nageslacht. Is het toch nog iets te koud? Geen zweefvlieg of bij te bekennen? Geen probleem, bijna alle fleurige eerstelingen kunnen het ook met eigen handjes. Paardenbloemen zijn daar berucht om geworden. Niet omdat ze, om maar eens een Bijbelse term te gebruiken, hun “zaad’ (stuifmeel) verspillen op Gods akker” maar omdat ze op deze manier zeker weten dat de ontkiemende paardenbloempjes net zo goed aangepast zijn aan hun plekje als hun ouder.
Eerstelingen, het voorjaar is begonnen.
